Brasem (Abramis brama) – Karpers

Hoi, ik heet Bram en ik ben een brasem. Wat leuk dat je meer over mij wilt weten!

Mijn rugvin is driehoekig en mijn anaalvin is lang.  Ik heb een wat kleine kop in verhouding tot mijn lichaamsbouw.

Ik zwem het liefst in helder, plantenrijk water. Dit type water vind ik in plassen en zacht stromende zijrivieren. Hier vind ik het meeste voedsel. Ik kan ook wel in troebel water overleven, maar daar word ik niet zo groot en sterk.

Toen ik net geboren was, begon ik al snel eten te zoeken in de bodem. Dit eten bestond uit plankton en later uit insectenlarven. Ik zocht mijn voedsel vooral langs de oevers. We moesten erg oppassen om niet opgegeten te worden door andere vissoorten, zoals snoek en baars. Om mezelf te beschermen leefde ik met tientallen andere soortgenoten. Zodra ik groot genoeg was, ben ik meer naar de diepere gedeelten van het water gegaan.

Naarmate ik groter werd, ben ik veel familie, vrienden en kennissen verloren door predatie. Daarom zocht ik andere vissen op die net zo groot waren als ik. Zo had ik toch de veiligheid van een school.

Toen ik 6 jaar oud werd, kon ik mij eindelijk volwassen noemen. Ik leefde samen met een klein groepje soortgenoten. We leefden voornamelijk in het diepe, open water. Op de bodem zochten we insectenlarven en slakjes. Wanneer het voedsel schaarser was, aten we ook zoöplankton en rottend plantmateriaal.

Op een dag voelde ik mij plotseling een beetje anders. Ik zal dat nooit meer vergeten. Het water werd warmer en ik kreeg ineens allemaal witte uitslag op mijn lichaam. Gelukkig was dat niet alleen bij mij; iedereen kreeg het. Ik kon ook alleen maar denken aan een vrouwtje. Dus we gingen met z’n allen op pad naar de plek waar brasems op zoek gaan naar een partner. Toen we daar aankwamen, waren er veel soortgenoten. Hoe moest ik hier nu een of meerdere vrouwen gaan versieren? Ik zocht een mooi plekje uit aan de rand van de drukte. Hier waren lage, zachte waterplanten. Verschillende andere mannen probeerden mij van dit mooie plekje weg te jagen. Dat is ze niet gelukt; ik verdedigde mijn plekje erg goed. Toen zag ik een vrouwtje. Ze zwom zo mooi door het water. Ik zorgde ervoor dat ze mij zag. Ik zwom naar haar toe en nodigde haar uit bij mijn plekje boven de waterplanten. Gelukkig aanvaardde ze mijn aanbod. Ze zwom ernaartoe en legde haar eitjes op de waterplanten. Ik gooide gelijk mijn hom eroverheen. Dit smaakte naar meer, want ik ben een sterke, grote vis en mijn nakomelingen worden dat natuurlijk ook. Ieder jaar keerde ik met de andere brasems terug naar ongeveer dezelfde plek.

Nu ben ik oud aan het worden. Ik ben inmiddels al 17 jaar. Het grootste gedeelte van de tijd leef ik alleen. Soms krijg ik nog gezelschap van twee vrienden. Ik zoek het voedsel ook wat meer in de ondiepere gedeelten van het water.

Ik wil je ook wat vragen: wil je niet naar mij op jacht gaan met een hengel? Ik heb een keer in zo’n haak gebeten, dit deed pijn in mijn bek. Er werd aan mij getrokken en getrokken. Ik kon gewoon niet winnen. Toen heb ik op een gegeven moment maar toegegeven. Tot overmaat van ramp kwam ik daarna ook nog op het droge terecht. Ik kon niet ademen. Ik had kramp aan mijn spieren gekregen en leed aan zuurstoftekort door het gevecht. Al mijn energie was weg. Ik vond het een vreselijke ervaring. Gelukkig is het met mij wel goed gekomen, maar ik maak het niet graag nog een keer mee.